Sibran Sampers

Verslag van Expeditie Solitaire II

29 - 30 augustus 2020, Knooppunt Brugge

 

In 1984 opende het knooppunt Brugge voor het verkeer. De vlakke omgeving tussen Oost-kamp en Loppem leende zich uitstekend voor de constructie van een afrittencomplex type klaverblad. In elke lus ontstonden sindsdien diverse landschappen. Het Bos is er één van. Het verkeer en de verkeerswetgeving maken het gebied zo goed als ontoegankelijk voor publiek waardoor het perceel een eiland is geworden. Men belandt er niet zomaar. 

Het bijzondere is dat er dwars doorheen dit klaverbladcomplex een riviertje stroomt: de Lijsterbeek. Deze beek ontspringt vlakbij de afrit Ruddervoorde langs de E403, stroomt enkele kilometers in noordelijke richting parallel met de autosnelweg om er dan een eerste keer onderdoor te gaan. Via een dubbele betonnen tunnel bereikt de Lijsterbeek vervolgens het knooppunt Brugge en via nog twee tunnels loopt het stroompje onder de E40 en van daaruit verder noordwaarts. Uiteindelijk mondt de Lijsterbeek uit in het Kanaal Gent-Brugge.
Bij mijn eerste expeditie stond het waterpeil in de beek extreem laag waardoor de modderige bodem in alle tunnels zichtbaar werd. Er stonden pootafdrukken in van ratten, eenden, waterhoenen, maar ook die van een vos. Die laatste kreeg ik bovendien nog te zien ook. Het rosse beest passeerde me nietsvermoedend terwijl ik m’n boterhammen aan het eten was. Het werd me duidelijk dat dit ‘eiland’ afgesloten wordt door het verkeer, maar net ontsloten wordt door het water. Dat is zo goed als het omgekeerde van klassieke eilanden.

 



Ik ben niet de eerste persoon die er sinds 1984 voet aan wal heeft gezet. De sporen van mijn voorgangers lieten zich gemakkelijk vinden. Een versleten batterij van een graafmachine en een achtergelaten brooddoos doen de regelmatige passage vermoeden van werklui die de beek openhouden. Andere passanten hebben minder gerief mee. Tussen de jonge esdoorns vond ik een kaalgeslagen plek met sporen van een kampvuurtje. Er rond lagen de wikkels van Snickers, colablikjes en flessen water. Ik vermoed dat het de schrale sporen van vluchtelingen zijn, op zoek naar Engeland.

Tijdens mijn tweede expeditie naar Het Bos heb ik de sporen van mijn vorige bezoek verwijderd en me gefocust op één ding: een brug. Los van alle symboliek drong de constructie van een brug zich op, simpelweg om zonder natte voeten van het ene deel van Het Bos naar het andere te kunnen gaan. Paradoxaal genoeg heb ik een heel weekend tot mijn knieën in het water moeten staan om de brug te bouwen en nu hij er staat, zal ik er waarschijnlijk nooit meer overheen gaan. De vraag blijft: wie zal er ooit nog overheen gaan? Ik heb de brug gemaakt uit onbehandeld hout en de dragende constructie staat permanent met de poten in het water. Vroeg of laat rot het hout en zakt de schraag in. De dikke stammen van het brugdek blijven dan wel nog even hangen tot die ook rotten en doorzakken. En dat is dan nog het scenario waarbij ik geen rekening gehouden heb met de graafmachines die de Lijsterbeek iedere zoveel tijd uitbaggeren. Stel, werklui komen met machines de Lijsterbeek uitkuisen; laten ze de brug staan? Ze stellen in ieder geval één vraag: “Wie heeft zich hier in godsnaam mee beziggehouden?”

 

 

Daar schuilt voor mij de kern van dit werk. Wie houdt zich in godsnaam met zoiets bezig? Wat bezielt mij om twee expedities te ondernemen naar een afrittencomplex om er een brug te bouwen over een sloot? Een brug waar bovendien nooit nog iemand overheen zal wandelen. Een brug die slechts in de wintermaanden te zien zal zijn vanop de afrit Gent omdat het ding anders verstopt zit achter gebladerte. En zelfs dan, want goede chauffeurs letten op de weg en kijken niet naar de bloempjes in de graskant. Oké, het werk is gedocumenteerd en foto’s en video’s van een brug over een stuk beek worden gedeeld. Helemaal in de geest van land art zoals bijvoorbeeld Goldsworthy ze bedreef, wordt er via reproducties gerefereerd naar het onbereikbare origineel. Slechts ikzelf, Pia en Viktor hebben het origineel gezien. Wij zijn daar tijdens die regenachtige dagen geweest, onzichtbaar voor de duizenden auto’s die er langsreden. 

Dus waarover gaat het dan, Sibran? Waarom een brug over de Lijsterbeek in een klaverblad van het knooppunt Brugge? Gaat het hem om het creëren van een raadsel voor wie na je in Het Bos komt? Waar is de twist? Wat maakt het tot iets dat meer is dan wat het eigenlijk is?

 

 

Ik weet het niet. Ik kan alleen maar zeggen dat ik dit gedaan heb omdat ik dit al jaren wilde doen. Omdat ik mij aangetrokken voel tot dit soort stukken groene eenzaamheid. Omdat ik er een soort pervers of kinderlijk genoegen in schep dit soort plekken als ‘eerste’ te betreden. Heeft dit te maken met ontdekkingsreizen? Of nog politieker nog: met kolonialisme? Heb ik deze plekken bezet? Wat mij betreft heeft het allemaal te maken met een gradatie van noodzakelijkheid. De vluchtelingen die er kamp hebben gehouden, waren de pioniers. Hun anonieme verblijf in Het Bos was pure noodzaak. Ben ik een ontdekkingsreiziger geweest? Misschien wel. Ik heb de omgeving in kaart gebracht en heb het bezoek aan de plaats gefaciliteerd door de bouw van een brug. Is Het Bos een wingewest geworden? Dat is mogelijk, want ik heb er mijn naam en praktijk als kunstenaar aan verbonden. Het heeft met trots en eer te maken en enkel binnen het frame van de kunsten valt uit zoiets trots en eer te halen.


 

En toch heeft het ook en vooral te maken met noodzakelijkheid en een onduidelijk verlangen naar een ‘Nieuwe Wereld’ in dit tijdperk van Google Earth. Voor mij gaat het om de kleine tragiek van wildernissen als Het Bos, of de Plaat van Walsoorden. Deze plaatsen worden niet afgesloten door onnoemelijk grote afstanden, diepe waters of gevaarlijke bergketens. Satellietbeelden geven zelfs een goed beeld van hoe de plaatsen eruit zien. Nee, deze plaatsen zijn ontoegankelijk door een accumulatie aan afspraken, aan cultuur. Ons leven en ons landschap zijn doorregen met constructies en afspraken; beton, asfalt, bakstenen, wetten en decreten.

Mij gaat het om de drang naar relatieve afzondering, denk ik. Weg te kunnen zijn en toch nabij te kunnen blijven. Het spannende genot verstopt te zijn. Een uit de hand gelopen zucht naar rust. Het idee een soort maffe voorhoede te zijn van andere vluchters waarbij de brug tot een nogal fors uitgevallen Kilroy was here is verworden. 

Ik ben geen koloniaal, geen pionier, geen kunstenaar. Ik wil soms gewoon even weg zijn en daar is het voor mij om te doen. Een frisse neus halen en genieten van de rust. Soms lukt dat gewoon het best langs de E40.

 

Beeld: Viktor Van Hoof & Pia De Vylder
 

Kunstenaar Sibran Sampers werkt binnen het traject PLAN B/Veldwerk aan Tidal Sidles - a furtive advance under the influence of tidal forces: een onderzoeksproject waarin hij zijn fascinatie voor water(wegen) registreert en erover reflecteert. Een uitgekiende plek aan een oever vormt het vertrekpunt van zijn gedachtestroom. Tijdens dit langlopend traject wil hij op verschillende plekken tijdelijke sporen nalaten en werken met wat rondom hem aanwezig is.
Lees hier meer over het project.

 

 

Notities