Sibran Sampers

Tidal Sidle, een brug

Het was zeven maanden geleden dat ik nog een zaag in m’n handen heb gehad met het idee om er iets mee aan te vatten. De tijd heeft getold, heeft zich afgesponnen, geraakte vervilt, werd ontward en lijkt nu te zijn neergedwarreld. Het gereedschap was mij vreemd geworden. Het eelt in mijn handpalmen was verdwenen, de wondjes op mijn vingers genezen en in een voorzichtige poging om garen te spinnen, heb ik mijn zaag, bijle en zakmes verzameld. Ik ben naar de Hubo gelopen en heb er een bol sisal gekocht om mee te sjorren. Bij de bakker haalde ik een paar koffiekoeken en een grote fles water. De zon scheen zoals ze nu al bijna een maand schijnt: overdadig. 

*

Ik heb opnieuw iets aangevat. Zo lang ben ik de afgelopen jaren niet zonder kunst geweest. Met kunst bedoel ik ‘het spel van de betekenissen’. Ik heb geschetst en geschilderd, potlood, houtskool, aquarel, en ik heb enorm genoten van de portretten, stillevens en landschappen. Ik heb mij toegelegd op de wereld zoals die zich aan mij voordeed. Verder niks. Ik dacht dat het misschien voor altijd weg zou zijn, de zin in het spel van de betekenissen. Soms vroeg ik me zelfs af of het me ooit echt geboeid had. Dat het misschien een pose was, zelfbegoocheling, waanzin. Nee dus. Ik maak echt graag. Ik doe het graag ter ontspanning: het portret, de tekening. Maar ik speel het ook graag ter inspanning: het spel der betekenissen, de verdichting van wat er is door toevoeging van wat er nog niet is. Kijken, maken, denken en voelen. 

*

Rond tien uur ‘s morgens ben ik vertrokken naar een plek in Gent die gekneld zit tussen de Schelde, een oprit van de E17 en de spoorweg Gent-Brussel. Het is een kleine verzameling bermen waartussen een gracht ligt, een verloren stuk groen tussen dienstbare constructies. Wilgen, esdoorns en meidoorn groeien er rank en dicht door elkaar. Dood hout, bramen en netels maken het behoorlijk ondoordringbaar en overal ligt afval, half toegedekt door gevallen bladeren en humus. Het zijn spullen die op de snelwegoprit uit de bocht zijn gegaan. Met of zonder opzet. Aanvankelijk voelde ik de drang om het op te ruimen, om alle spullen simpelweg bij elkaar te leggen zodat de plek ‘gezuiverd’ zou zijn. Zodat er slechts op één plaats afval zou liggen. Ik heb het nagelaten want het ligt overal. Het lijkt verzonken in de bodem. Het is in meer of mindere mate vergaan. Er zit vaak nog cola in. Of bier. Of Golden Power. Het afval is deel geworden van de strooisellaag.
 



De plek is omwald door het verbod om sporen over te steken, om zich op de snelweg te begeven, om privé domein te betreden. Het is een besloten tuin waarvan de muren zijn opgetrokken uit afspraken. De quarantaine heeft van de snelweg een rustig laantje gemaakt en het parkeerterrein van het kantoorgebouw is nagenoeg leeg. Er zijn bressen in de muren geslagen en door die bressen ben ik heen geklauterd. Maar ik ben niet de eerste; condoomwikkels verraden de passage van diermensen die er geregeld de verboden liefde hebben bedreven. Wie neukt op zo’n plaats heeft dat neuken te verbergen. Er is geen zee- of alpenzicht, dak noch bed. Op de hellende bermen is er zelfs geen vlak stukje te bekennen waardoor de penetratie zich rechtopstaand tegen een boomstam moet hebben voltrokken. Ook deze haastige vrijers hebben hun weg naar deze hof gevonden. Evenals een vos. Zijn route loopt langs de helling en wordt zo regelmatig bezocht dat het pad vrij is van takjes en blaadjes. Onmiskenbaar hangt langs de bomen en bramen zijn indringende geur. Ik heb het pad eens gevolgd, maar raakte het spoor bijster op de steenslag langs de spoorlijn.
Vrijers, vossen en nu dus ik.

*

De schaduwen van de bomen trekken door de hof als wijzers in een klok. Ik rooide enkele dode wilgen en esdoorns die met hun ranke, rechte stammen het uitgelezen materiaal vormden voor mijn constructie. Wat ik precies wilde maken, wist ik nog niet goed. Dwars door de hof, waar de hellende bermen samenkomen, loopt een gracht waarin donker water staat; een muggenpoel die stinkt naar rottigheid. Het zou een brug worden. Één voor één trok ik de stammen naar een verzamelplaats op de berm die gericht is naar het noorden. Daar, in de schaduw, sorteerde ik rond het middaguur het werkmateriaal. Lange, soepele stammen langs één kant; korter en brozer hout aan een andere kant. Ik at mijn koffiekoeken op en merkte onder het roken dat de schaduwen van de bomen op dat moment parallel aan de gracht lagen. De hele greppel is bijgevolg netjes noord-zuid georiënteerd; een klokwerk waarin ik en mijn honger bovendien netjes pasten.

*

Op een gegeven ogenblik was de brug af. Ik rookte en keek naar wat het geworden was: een eenvoudige brug, een overspanning van oever tot oever, van berm naar berm. Een brug die haaks staat op de richting van de gracht en dus oost-west georiënteerd is. Een horizontaal bouwsel in een voorts verticale bomenwereld. Wat een brug is voor ons, is een poort voor het water. Tot daar wat betreft de post factum vormanalyse. Ik heb het ding niet om die redenen gemaakt, met die factoren in mijn achterhoofd. Of misschien wel in mijn achterhoofd, maar in elk geval niet in mijn voorhoofd. De brug is het eerste werk in lange tijd dat uit een sterke noodzaak om iets te maken is ontstaan. Ik heb mezelf beperkt tot wilgenstammen en een bol touw. Ik heb mezelf een dag gegeven om het te maken. 
 


Om vijf uur ‘s middag kwam mijn vriendin langs. Ze had wijn en eierkoeken bij. Ze vond de brug mooi en nam enkele foto’s. Ik poseerde op de brug en voelde een rustige trots. Ik ruimde m’n spullen op en we stapten terug naar huis. Het liep tegen zes uur aan.

 

Kunstenaar Sibran Sampers werkt binnen het traject PLAN B/Veldwerk aan Tidal Sidle - a furtive advance under the influence of tidal forces: een onderzoeksproject waarin hij zijn fascinatie voor water(wegen) registreert en erover reflecteert. Een uitgekiende plek aan een oever vormt het vertrekpunt van zijn gedachtestroom. Tijdens dit langlopend traject wil hij op verschillende plekken tijdelijke sporen nalaten en werken met wat rondom hem aanwezig is.
Lees hier meer over het project.