Sibran Sampers

Plaat van Walsoorden

In het midden van de Westerschelde, tussen de Zeeuwse dorpen Waarde en Walsoorden, ligt een eiland. Althans, soms. Het eiland wordt de Plaat van Walsoorden genoemd en ligt in een getijdengebied waar het verschil tussen hoog- en laagwater vaak meer dan vijf meter bedraagt. De plaat ondergaat elke dag een onvoorstelbare transformatie; bij eb liggen de schorren er een aantal meters boven water en bij vloed verdwijnt het nagenoeg onder de golven. Twee keer per maand, bij springtij, is er van het eiland helemaal niets meer te zien.

 

 

 

Springtij doet zich voor bij volle en nieuwe maan. Enfin, een goeie dag later. De zon en de maan trekken dan in één richting aan het water op aarde waardoor de vloedgolf die zich door de zeeën beweegt, versterkt wordt. De aanwezigheid van de maan speelt een grote rol in de ontwikkeling van de aarde. Haar aantrekkingskracht zorgt voor het getij, maar tempert ook andere, meer destructieve bewegingen. Zonder maan zou de aarde immers veel sneller om haar as tollen waardoor zware stormen de regel zouden zijn eerder dan de uitzondering. Bovendien fungeert het hemellichaam als een schild tegen meteoren omdat ze deze zwervende rotsblokken ‘uit koers’ trekt. 

De maan beroert de zeeën voortdurend waardoor de grens tussen water en land soms bijzonder vaag wordt. Dit heen-en-weer trekken van zeewater is een niet te onderschatten factor in het tot stand komen van het leven op aarde. De chemische soep werd gemixt door de maan en haar getij. Levenloze elementen haken zich samen in de getijdenpoeltjes om op een gegeven moment leven te worden. Ik snap er niks van. Maar zo moet het ongeveer gegaan zijn.

 

*

“Dertig jaar geleden was hier nog niks!”, wist Jan Poleij me te vertellen bij mijn laatste bezoek aan de plaat. Het was een bloedhete zondag en hij was er met zijn boot aangemeerd om er samen met zijn zoon en schoondochter wat te kuieren.  “Bij laagwater kon je hier schollen vissen met het water tot aan je knieën, maar dat was het dan ook.” Springtij na springtij werd de zandplaat opgehoogd tot het schorrengebied dat het vandaag is. Een kleine twintig jaar geleden verkreeg Jan Poleij een concessie om er zeegroenten als kraal en lamsoor te oogsten. “Toen was het nog een lapje schor van, ach, tien are? Nu is het gemakkelijk zestig hectare groot.”

 

De stijging van de zeespiegel zou doen vermoeden dat alles vroeg of laat onder het water verdwijnt. Ik vroeg het aan Guido, mijn kajakgids op de Westerschelde. “Die schorrengebieden zijn iets heel bijzonder. Ze zijn heel beweeglijk en waar ze wegspoelen, bijvoorbeeld, door een stormvloed of zo, groeien ze wat verderop gewoon massaal aan. Stijgt het water, dan groeit de plaat mee.”


 

*

Toen ik er begin augustus was, op de plaat, kwam er onder het varen plots een zeehond piepen. Hij keek ons aan en wij hem. Het was warm en er stond geen zuchtje wind. Het water in de kilometers brede Westerschelde was zo glad als een spiegel. Het zwarte kopje verscheen en verdween in een cirkel van rimpels. En zoals het dier gekomen was, zo was het plots weer weg, de diepte van de vaargeul in. Boven hem, aan het oppervlak, dreunen de grootste bewegende constructies op aarde: olietanker, auto- en containerschepen. Ze varen af en aan naar de haven van Antwerpen en hun geronk en dieselgeur zijn tot voorbij de dijken waar te nemen. De grootste schepen nemen de geul ten zuiden van de plaat terwijl de binnenvaartschepen de noordelijke geul nemen.

Wanneer Guido zo’n schip ziet naderen, laat hij ons halt houden. We dobberen in het midden van de noordelijke vaargeul, voor en achter ons een paar kilometer water. Guido wil het niet riskeren om voor het steven van zo’n mastodont te belanden. Een ogenblik later vaart het binnenvaartschip voorbij. Het is een dwerg in vergelijking met de tankers, maar vanuit een kajak maakt het toch indruk. We wachten en zwijgen. Allemaal eilandjes in dat stille water. Ik zie een koolwitje voorbij vliegen en bedenk welk merkwaardig zicht het is om hier, in het midden van de Westerschelde, een koolwitje te zien vliegen. Waarom blijft het witte vlindertje niet gewoon aan land? Is er niet genoeg land misschien? Ik had het willen volgen, want ik vaar ongeveer even snel als het diertje vliegt. Onze koers was echter de zijne niet en ik verloor de vlinder uit het oog. Haalt het de oever?

 

 

 

Voor het eerst heb ik de plaat van West naar Oost afgewandeld. Ik ben langs de schorkliffen aan de noordzijde van de plaat gegaan. Schorkliffen vormen zich op de overgang tussen slik en schor. De opgehoogde pakketten slib brokkelen er af onder invloed van de golfslag. Ik stond er versteld van de vele soorten aarde die de plaat herbergt: blubber, zand, roestrood, grijswit, vettige schorreklei…

 

Ik wil hier blijven. Ik wil zien hoe het getij dit land blootlegt en dan weer toedekt. Ik wil hier in de meanderende geulen naar prut vissen. Lepelaars tellen en wind vangen. Ik wil mezelf begraven in de drek, schoonspoelen in het brakke water. Lamsoor en zeekraal vreten tot ik groen word. Ik wil een zeehond zien en nog één. Kijken wat er aanspoelt. Kijken wat voorbij vaart. Het visdiefje horen roepen. Eens rond het eiland lopen. Nog eens rond het eiland lopen. En nog eens. Dromen van water wanneer ‘s nachts het springtij mijn vlot boven de schorre uittilt.  

 

Dit land herinnert ons aan waar we vandaan komen: krioelende poelwormen in het begin der tijden; krabbenvangers, turfstekers en schapenboeren op de schorren een eeuwigheid later en nu kapiteins ter lange omvaart, kunstenaars turned ambtenaren, onderwijzers, sales managers, rouw- en relatietherapeuten. De dijken in de verte zijn hoger en steviger dan ooit tevoren en de polderakkers erachter staan vol gewassen. Het water is mijlenver en zwelt geduldig tot het weer zijn plek kan opeisen. 

 

Op de plaats dacht ik over de berichtgeving rond klimaatverandering en natuurrampen en hoe wij daarvoor voortdurend verantwoordelijk geacht worden. Hoe wij in een relatieve handomdraai deze oeroude ruimterots omtoveren tot een onleefbaar oord.
Ik dacht aan die oude zondvloedverhalen en aan die prent van Doré: 'Le Déluge'. Uit de golven van een ruwe zee steekt een kleine rots waarrond gespierde lijken en drenkelingen drijven. Terwijl enkele kinderen vanop de rots angstig toekijken, probeert een mooie vader een al even mooie moeder de klif op te hijsen. De oudste van de kroost lijkt bevroren in tweestrijd; wat moet hij doen? Moet hij zijn ouders uit het water helpen of zijn broertjes en zusjes beschermen tegen andere wezens die hun toevlucht tot de klif genomen hebben? Op het andere eind van de rots zit immers een tijgermoeder en haar welpen. In de donkere stormlucht boven hen drijven ondertussen tientallen meeuwen.

 

*

Ik heb altijd het gevoel dat we ons hier een beetje moeten haasten. De vloed komt bijzonder snel op en in een handomdraai verdwijnt het eiland onder onze voeten. Onze voetsporen in het slik worden weggevaagd. De kajaks die even daarvoor nog op het droge lagen, beginnen te drijven. De geulen lopen vol en treden buiten hun oevers en even later verdwijnt zelfs het hoog opgeschoten lamsoor onder het Scheldewater. Het eiland is verdwenen en wij varen terug naar het haventje van Waarde. Tijdens al mijn bezoeken aan de plaat, zijn we vertrokken op het moment dat het eiland verdwijnt. Ik heb het alleen maar zien verdwijnen, niet verschijnen. Het is altijd een soort afscheid, alsof het de laatste keer is geweest. 

Ik wil hier blijven, zodat ik het ook een paar keer voor het eerst kan zien.

 

Kunstenaar Sibran Sampers werkt binnen het traject PLAN B/Veldwerk aan tidal sidle (noun) - a furtive advance under the influence of tidal forces: : een onderzoeksproject waarin hij zijn fascinatie voor water(wegen) registreert en erover reflecteert. Een uitgekiende plek aan een oever vormt het vertrekpunt van zijn gedachtestroom. Tijdens dit langlopend traject wil hij op verschillende plekken tijdelijke sporen nalaten en werken met wat rondom hem aanwezig is.
Lees hier meer over het project.

Notities