Maxime Vancoillie

Het onderzoeksplan: Maxime Vancoillie

 

Dit interview is deel van een reeks interviews die gemaakt werden aan de start van PLAN B/Veldwerk, het collectief onderzoekstraject naar kunst buiten de stad van Kunstenplatform PLAN B. De interviews bieden een blik in de praktijk van de acht deelnemende kunstenaars en polsen naar de manier waarop ze aan hun onderzoeksproject beginnen. Op deze blog kan je ook de rest van hun traject volgen. Maxime Vancoillie (1991, BE) werkt op het snijpunt van architectuur en beeldende kunst. Tijdens PLAN B/Veldwerk verzamelt ze aan de hand van interviews dromen langs de gewestweg N9.  Haar onderzoek geeft gestalte aan de architecturale vormen die in die dromen voorkomen. 
 

Een onderzoeksproces start voor mij altijd vanuit de idee dat onze wereld ontelbare micro-werelden bevat. Zo’n micro-wereld kan verschillende schalen aannemen: je eigen huis, de buurt waartoe je je verhoudt, de stad waar je woont, en kan zowel reëel, fictief of virtueel zijn. Maar ook een bepaalde toestand of conditie kan de grenzen van zo’n micro-wereld bepalen: ‘op de vlucht zijn’, ‘aan het zwerven zijn’, ‘gevestigd zijn’… Iedereen kruist doorheen de tijd één of meerdere werelden. Zo bouwen we onze eigen verzameling van ruimtes die ons dagelijks omgeven, die we ons herinneren of verbeelden, waar we (n)ooit waren, die we (n)ooit zagen. 

Tijdens een onderzoek verdiep ik me in een specifieke wereld en zijn bewoners en gebruikers. Het onderzoeksveld wordt zo een hybride verzameling van werelden, ruimtes en ruimtegebruikers. Daarbij probeer ik zoveel mogelijk woorden te geven aan de dingen die ik observeer, zichtbaar of onzichtbaar. Door dingen te benoemen, definiëren we de wereld. De juiste woorden vinden, ordenen en indexeren is een bouwproces op zich. Het resultaat is een geraamte van kernwoorden, begrippen en fenomenen; een soort tijdelijke verblijfplaats waar al het onderzoeksmateriaal in ondergebracht wordt. Na verloop van tijd begin ik vanuit die uitvalsbasis inzichten te vertalen in reflectiemodellen: 3D-modellen die in iedere fase van het proces een andere betekenis en doel hebben. Deze vormen een middel om onderzoeksvragen te ontwikkelen, maar ook om inzichten naar het einde toe weer samen te brengen. 

Sinds 2014 schrijf ik mijn nachtdromen neer, een verzameling van ondertussen meer dan 200 dromen. Bij het uittekenen van sommige daarvan verwonderde ik mij erover dat ze een bepaalde architecturale logica leken te volgen. Ook de relatie tussen de gevoelslading van de droom en de gedroomde architectuur, en hoe deze elkaar beïnvloeden, is bijzonder interessant. Het is geen concrete architectuur van de realiteit waar alle elementen gebonden zijn door de zwaartekracht, en bouwkundig overeind blijven. Het is een architectuur gebouwd uit tijdlagen, uit herinneringen en verbeelding, uit lichamelijke en emotionele ervaringen. De droom stelt mij in staat te onderzoeken welke invloed de gebouwde omgeving uitoefent op die innerlijke wereld. Dit roept meteen een hoop vragen op. Zijn er collectieve ruimtelijke patronen te vinden in de dromen van bewoners van een bepaald landschap? Hoe dringt de gebouwde omgeving door in dromen? Zijn dromen cultureel bepaald, of zijn er universele ‘innerlijke’ archetypes te onderscheiden?

De nevelstad is het fenomeen waarbij één grote diffuse stad de plaats inneemt van de vroegere opdeling tussen stad en platteland. Steden deinen uit, en ook het platteland krijgt een meer stedelijk uitzicht. Deze nevelstad schikt zich langs steenwegen, komt samen in (slaap)dorpen en structureert zich in de verkaveling. Binnen Vlaanderen lijkt de N9, een gewestweg die Brussel met Oostende verbindt, een doorsnede van dit fenomeen. De weg is een karakteristiek lijnlandschap van fermettes en Spaanse imitatievilla’s, tuincentra en cafés, dancings, bushaltes, hagen en hekken, toonzalen, kerktorens, sauna’s, fonteinen en standbeelden, bordelen, weilanden, tankstations en appartementen...

Mijn project heeft een open einde. Dit geeft me de vrijheid om associatief te werk te gaan en te focussen op het proces. Tijdens een ‘sprokkelroute’ langs de N9 ga ik op zoek naar de bewoners en hun dromen. De droom wordt al schrijvend en schetsend gereconstrueerd, waarna ik met schaalmodellen terugkeer naar de bewoners. Deze dienen dan als ondersteuning voor diepte-interviews over hun beleving van de droom. Komt de dagelijkse omgeving voor in je dromen? Hoe ziet de publieke ruimte er uit? In welke ruimtes ben je bang? Die individuele belevingen breng ik samen op een kaart en verbeeldt zo een collectief imaginair landschap. Van daaruit kan ik al bouwend nieuwe vragen stellen. Welk soort dromen komen vaak terug? Zijn dat vluchtdromen, angstdromen, geborgen dromen…? Welke archetypes kan ik afleiden? Veilige plaatsen, verstopplaatsen, publieke plaatsen, private plaatsen, gesloten plaatsen, open plaatsen…? In een laatste fase kan deze kaart een blauwdruk zijn voor bouwwerken die ik op grotere schaal langs de N9 zou uitvoeren. De droom neemt zo opnieuw een plaats in de werkelijkheid in en brengt een in-situ dialoog op gang.  

Dit beeld (zie boven, nvdr.) van de camera obscura zie ik als een metafoor voor mijn onderzoek. Een camera obscura (donkere kamer) is een verduisterde ruimte waarbij in een van de wanden een klein gaatje is aangebracht. Het hierdoor invallende licht werpt een afbeelding van de buitenwereld op de tegenoverliggende wand. Aan de gravure van uitvinder Athanasius Kircher heb ik één element toegevoegd: een tijdslijn die de dag en de nacht situeert. De afgebeelde kamer is het mechanisme van de nachtdroom. Fragmenten van de werkelijkheid komen links binnen in de kamer, waarna meestal een vervorming van de werkelijkheid optreedt net zoals de camera obscura het beeld omgekeerd projecteert. Als we rechts in beeld de dag terug in stappen, neemt de droom zijn plaats in de werkelijkheid opnieuw in.
 

Lees hier meer over Topografie van de nacht - 01 - de nevelstad van Maxime Vancoillie.

Notities